Leven op de Poezenboot (een verbloemde ode aan Amsterdam)

In deze gezamenlijke woonkamer ogen ze onschuldig en hier en daar zelfs sociaal bekwaam. Maar schijn bedriegt. Ze hebben allemaal al heel wat kansen gehad, vloerkleden ondergekotst en vertrouwen beschaamd.

Ook ik ben dakloos al heb ik een smartphone, dat hebben ze tegenwoordig allemaal. Die ‘ze’ over wie ik het hier heb, wonen met mij in een daklozenopvang in Amsterdam. Wanneer het vriest, hoeft in mijn stad nooit iemand buiten te slapen, maar mooi is anders. Vanuit deze zaal zien we niets dan ondoordringbare kantoorramen. Het uitzicht van uitzichtlozen kan, zo lijkt het, niet anders dan keihard weerkaatsend.

Mijn pols zegt dat het half tien is en volgens mij moet ik zo gaan. Ik wil de ‘huisregels’ niet uit mijn hoofd kennen, dat is mijn eer te na. Mijn misplaatste arrogantie focust zich op mijn horloge. Het is er één die mijn hartslag meet, mijn route berekent en tegelijkertijd muziek kan spelen. Een ingenieus hebbeding dat mij het gevoel moet geven dat ik boven dit alles zweef. Dat ik meer waard ben dan hen met wie ik sinds kort mijn maaltijden deel.

You’re better than this schalt het door de bluetooth oordopjes die ze bij mijn polsgepronk leverden. Het lijkt een kleinigheid dat ik nu zo naar mijn work-outlijstje luister, maar het is mijn enige houvast. Waarschijnlijk was een Blueslijstje eerlijker geweest, maar ik ben beter dan dit. Het zit nu gewoon even tegen.

Terwijl het betreffende nummer naar de achtergrond verdwijnt, bijt ik op mijn onderlip. Hoe heb ik zo af kunnen glijden? Waar is het fout gegaan? In mijn kindertehuis was ik het meest potentiele weesje, ik kreeg de bloemen van de kerk, werd topscorer van FC Zuidhorn… of was het VV?

In mijn achterhoofd hoor ik ze nog mijn naam scanderen. “Postma, Postma, P…” Ik kijk opzij en zie een groepje, twee mannetjes, drie vrouwtjes. Ze lijken het gezellig te hebben, maar God mag weten waarmee. Links vooraan, vlakbij de plek waar ze het voedsel uitdelen zit de groepoudste. Je kunt zien dat hij vroeger sterk moet zijn geweest. Zijn neus en neus verraden een leven vol vechtpartijen, wijn en melancholisch gedweep.

De man aan mijn andere kant kijk ik lieve niet aan. Da’s een echte gekkie, je kent het type: veel te blije blik voor iemand met een bijstandsuitkering, constant aan het praten, onbegrijpelijke kale plekken in zijn baard.

Ik moet denken aan de vaste bewoners van de poezenboot. Niet degenen die je kunt adopteren, maar de oude vuilnisbakjes die ze niet meer laten gaan. Dit zijn hun menselijke equivalenten. Dakloze Amsterdammers net zo vergroeit met de hulpverlening als zelfkastijding met mijn naam.

Ik schrik van de begeleider die ineens naast me staat. “Ik probeerde u te roepen, meneer Postma. U moet nu echt gaan.” Ik pauzeer mijn muziek en gooi een frons naar de zaal. In mijn ooghoek zie ik een typische Amsterdamse hulpverlenerslach. “Die gaan zo naar de dagbesteding. Lekker een beetje vogelhuisjes maken.”

Ik knik na zijn vraag of ik een plekje heb waar ik nu naartoe kan. Hij lijkt me meer te geloven dan ik zelf. Ik geloof bitter weinig de afgelopen dagen, maar Godzijdank voor het Volkshotel en alle andere Amsterdamse ‘vrijplaatsten’!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.